vrijdag 2 juli 2010

De Duivel van Devond - deel 11

We lieten het tumult in de bar een tijdje begaan, want we wilden ons de woede van het volk niet op de hals halen door hun duivelillusie te doorprikken. Hoewel ik Watson daar wel toe in staat zag. Volgens mij deed hij niet liever dan vuurtjes te stoken tussen mensen en dan te kijken wat er gebeurde. Al stond hij alleen tegenover een grote politiemacht, dan nog zou hij roepen dat ze hulp mochten meebrengen om de strijd wat eerlijker te maken.
Nadat de scheepsjongen al enkele biertjes had gedronken om zijn schrik te bezweren, achtte Watson de tijd rijp om toe te slaan. Hij stapte naar de scheepsjongen toe en vroeg hem mee te komen naar het achterkamertje, zogezegd omdat hij alles wilde te weten komen over de duivel. De jongen, blij met de vernieuwde interesse, hapte gewillig toe.
‘Hoe zag de duivel eruit?’ viel Watson meteen met de deur in huis.
De scheepsjongen was verrast door de vraag en moest nadenken. Ik vroeg me af wat voor vragen hij dan wel verwacht had. Pitt had gelijk gehad, dit was een speciale jongen.
‘Ik heb hem niet van dichtbij kunnen zien. Er was veel rook. En er was vuur. De duivel spuwde vuur.’
‘Dus je hebt de duivel kunnen zien?’ vroeg Watson.
De scheepsjongen knikte hevig op en neer.
‘Wel, hoe zag hij er dan uit?’
‘Hij had horens, en een staart. En hij spuwde vuur’, sprak de jongen, niet beseffend dat hij zichzelf tegensprak door plots wel een beschrijving te geven.
‘En wat heeft de duivel met de boot gedaan?’ vroeg Watson.
‘Hij heeft hem doen zinken. Denk ik toch. De boot was in elk geval plots verdwenen.’
‘Net zoals de vorige keer?’
‘Ja.’
De scheepsjongen leek zijn eigen verhaal echt te geloven. Ik kon niet goed inschatten of hij een spelletje met ons speelde. Ik besloot me in het gesprek te mengen.
‘Moet de schipper dan elke keer een nieuwe boot kopen?’
Die vraag had hij niet verwacht, waarschijnlijk omdat ze zo logisch was. Toch antwoordde hij niet meteen.
‘Eh, een nieuwe boot? Ja, natuurlijk. Dat is toch logisch, de andere is gezonken. Dan moet je een nieuwe kopen.’
Zijn aarzeling deed me vermoeden dat ik in de juiste richting zat. Watson liet me doen en luisterde aandachtig. Ondertussen inspecteerde hij de scheepsjongen van kop tot teen.
‘Dat moet de schipper veel geld kosten.’
‘Een nieuwe boot kost veel geld, dat klopt.’
‘En waar haalt hij dat? Is hij zo rijk?’
De scheepsjongen keek om zich heen, alsof hij toestemming wilde vragen om een antwoord te geven. Watson knikte hem bemoedigend toe.
‘Hij heeft een heel goede verzekering.’
Watson en ik keken elkaar aan. Dat was altijd interessant. Geld is een al net zo duivels gegeven als wat de scheepsjongen beweerde gezien te hebben.
‘Dus eigenlijk vindt de schipper het niet zo erg dat de duivel af en toe eens langskomt?’ drong ik aan.
‘Nee, jawel’, antwoordde de jongen verward. ‘Niemand wil dat de duivel op bezoek komt.’
‘Verdien jij goed je kost?’
‘Ik mag niet klagen.’
Ik zweeg even. Ik had hem niet in het nauw kunnen drijven zoals ik wilde. Hij had wel dingen gezegd die ons vanalles deden vermoeden, maar eigenlijk had hij ook weinig nieuws gezegd.
Gelukkig was er Watson nog, die plots de hand van de jongen greep en ze naar zijn neus bracht. Daarna liet hij ze weer neerploffen en stond hij op.
‘Bedankt, je mag gaan. Misschien best eerst even je handen wassen. Ze ruiken naar zwavel!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen