dinsdag 29 juni 2010

De Duivel van Devon - deel 10

Ik wilde er onmiddellijk achteraan gaan, maar Watson hield me tegen. Met lede ogen moest ik toezien hoe de rijke hoteleigenaar ontsnapte. We hadden hem op heterdaad betrapt en Watson liet hem gaan. Ik kon mijn baas niet volgen.
‘Oké, nu kunnen we op onderzoek’, zei Watson na een tijdje.
Hij sprong overeind en sloop behoedzaam naar de kade, ik er al even behoedzaam achteraan.
De rook hing nog in dikke drommen boven het water en ik moest kuchen toen we dichterbij kwamen. Het rook er behoorlijk smerig, naar een mengeling van gas en rotte eieren. Aan de kade gekomen, zagen we dat de veerboot verdwenen was. Het water klotste nog een beetje. Was de boot zo plots gezonken? Misschien toch de duivel?
Ik zei niets van mijn vermoedens tegen Watson, hij zou me toch maar uitlachen. Watson stond zwijgend naar het water te kijken. Ik volgde zijn blik en merkte dat hij naar een rimpeling in het wateroppervlak staarde, die steeds verder weg leek te gaan. Verder konden we echter niet kijken, want het was te donker. Ik verplaatste mijn blik dan maar naar de grond en ontdekte een vreemd hoopje stof.
‘Meneer Watson, kijk.’
Het duurde even voor hij zijn aandacht van het water naar mij verschoof, maar toen hij het hoopje zag, zonk hij onmiddellijk op zijn knieën. Hij depte het stof met zijn wijsvinger en trok die meteen terug.
‘Au, heet!’ riep hij en zwaaide met zijn hand om af te koelen. Daarna bracht hij zijn vinger onder zijn neus en rook eraan.
‘Zwavel’, zei hij. ‘Net wat ik dacht. Maar waar komt het vuur dan vandaan?’
Ik wilde vragen waarom hij dat had gedacht, maar Watson gaf me de kans niet.
‘Kom, we gaan naar het hotel.’
In het hotel heerste er paniek. De gebeurtenissen aan de rivier hadden zich blijkbaar snel verspreid. Iedereen sprak over de duivel, het was een kwestie van tijd voor die ook de huizen zou binnenvallen.
In een hoekje in de bar zat ook Bigshot. Hij luisterde hoofdschuddend naar de verhalen over vuur en demonen en ging meer dan eens in het verweer. Ik stootte met mijn elleboog hard in Watsons ribben.
‘Daar is hij, we moeten hem arresteren!’
Watson gebaarde echter dat ik kalm moest blijven.
‘We moeten eerst weten waar het gerucht vandaan komt, dan pas kunnen we in actie schieten.’
‘Bigshot heeft het verteld natuurlijk’, verdedigde ik mijn visie, een beetje verontwaardigd dat Watson zo’n duidelijke conclusie over het hoofd zag. ‘Hij heeft het vuur aangestoken en is dan hier komen vertellen dat de duivel aan het werk is geweest.’
Watson schudde zijn hoofd. ‘Luister eens goed. Bigshot zegt helemaal niet dat het vuur het werk van de duivel is. Hij zegt net het omgekeerde.’
Ik besefte dat hij gelijk had. Ik had Bigshot ook horen praten, maar op de een of andere manier had ik dat genegeerd. Omdat ik te graag wilde dat mijn theorie klopte.
Plots zwiepte de deur van de bar met een klap open. De scheepsjongen stormde naar binnen en kwam hijgend tot rust door te steunen op een stoel. Hij moest een heel eind gelopen hebben.
‘De duivel!’ riep hij angstig. ‘De duivel is hier. Ik heb hem gezien!’
Terwijl de hele bar op een mum van tijd in rep en roer stond, draaide Watson zich ijzig kalm naar mij toe.‘Dat bedoelde ik dus. Net wat we nodig hadden.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen