zondag 6 juni 2010

De Duivel van Devon - deel 3

Summer knikte bedachtzaam en zette zich op het bureau van Sam. Terwijl hij voor zich uit staarde, begon hij te vertellen. In één stuk door, zonder haperen, alsof hij de zaak nog meermaals in zijn hoofd had overlopen.

“In mijn tijd was De School helemaal nog niet zoals nu. Er waren geen klassen of lessen, elke jonge geheim agent werd opgeleid door een oudere, ervaren agent. Mijn leermeester was Watson, een fantastisch geheim agent, die helaas iets te weinig volgens het boekje werkte. Iets wat ik dus absoluut niet van hem heb overgenomen.

We zaten in ons kantoor toen meneer Rider, de grote baas, binnenkwam.

‘Watson! Ik heb een opdracht voor u.’

Watson deed rustig verder met wat hij bezig was, het invullen van een kruiswoordraadsel. Hem daarbij storen was zoveel als heiligschennis plegen, en al wie niet zijn baas was, kreeg gegarandeerd een pen of perforator tegen zijn hoofd als hij het wel deed.

‘Watson!’

Watson keek verbaasd op naar Rider.

‘Meneer Rider! Ik had u helemaal niet gehoord. Staat u hier al lang?’

‘Ik had gemakkelijk een ei kunnen bakken op die tijd’, antwoordde Rider zuchtend, hoewel hij nog nooit in zijn leven een keuken van dichtbij had gezien. Toen hij zijn huis had gebouwd, had hij zelfs bewust de keuken vergeten, het perfecte excuus om niet te moeten koken.

‘Klinkt lekker. Misschien moet u dat de volgende keer maar gewoon doen, dan hebben we meteen iets te eten!’ lachte Watson.

‘Heel grappig, Watson.’

‘Dank u, chef. En u bent een fijn publiek.’

Rider probeerde geduldig te blijven en nam met zijn handen de rand van Watsons bureau vast. Toen ik zag hoe wit zijn knokkels werden, vreesde ik even dat hij het bureau in twee ging breken.

‘Goed. De opdracht. Je moet stante pede naar Devon vertrekken. Er is vanalles loos in Dartmouth.’

Ik volgde hun gesprek gespannen. Een opdracht. Zou ik dan mee mogen? Ik hoopte met heel mijn hart van wel.

‘In Dartmouth? Zo’n vredig dorpje?’

‘Blijkbaar is het minder vredig dan we denken. Er spookt een duivel rond.’

Watson leunde achterover en begon hard te lachen.

‘Een duivel? In Dartmouth kunnen ze blijkbaar ook goed drinken! Een Duivel. Zou u daar dan beter geen pastoor op afsturen?’

‘Ik heb geen tijd voor grapjes, Watson’, bromde Rider. ‘Er ligt een dossier voor u klaar aan de receptie. Vanavond bent u nog in Dartmouth, waar de plaatselijke agent u zal opvangen. Succes!’

En weg was Rider. Kort en krachtig, was zijn motto. Net als zijn gestalte.

‘Hoor je dat, David?’ riep Watson naar mij. Normaal moest hij meneer Silver zeggen, maar de beleefdheidsregel lapte hij regelmatig aan zijn laars. ‘We gaan een reisje maken!’

Hoewel hij nauwelijks twee meter van mij zat, had hij het zo luid geroepen dat het door het kantoor galmde. En blijkbaar ook door de gang, want enkele tellen later stak meneer Rider zijn hoofd door het deurgat.

‘O ja. Dat had ik u er misschien bij moeten vertellen. Deze opdracht zult u alleen moeten uitvoeren. Meneer Silver is daar nog niet ervaren genoeg voor.’

Ik keek beteuterd naar meneer Rider. Ik probeerde de immense ontgoocheling niet laten merken, maar ik denk niet dat het lukte. Eindelijk had ik de kans om een echte zaak op te lossen en dan mocht ik niet mee. Zo zou ik het nooit leren.

‘Het spijt me, jongen. Volgende keer dan maar’, zei Watson troostend.

Ook Rider knikte me nog een keer bemoedigend toe en verdween dan uit het kantoor. Ik bleef een hele tijd voor me uit staren, terwijl Watson verdween om zijn spullen bijeen te zoeken. Toen hij terugkwam, keek hij me lachend aan.

‘Wel, David. Heb je je koffer nog niet gepakt? We vertrekken over vijf minuten!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen