donderdag 22 juli 2010

De Duivel van Devon - deel 14

Ik keek om me heen, maar zag geen redding. Voetje voor voetje schuifelde ik achteruit, terwijl de dreiging van de stok boven mijn hoofd hing. Ik kon enkel wachten tot de schipper zou toeslaan.
Hij hief de stok hoog in de lucht en ik stak mijn handen omhoog om hem af te weren. Mijn plan was om de stok vast te grijpen en de schipper uit evenwicht te brengen. Op voorwaarde dat de haak tegen dan nog niet in mijn voorhoofd stak natuurlijk.
De stok kwam echter niet en toch verloor de schipper zijn evenwicht. Samen met zijn stok viel hij achterover en kwam terecht op een harde boomstronk. De schipper schreeuwde het uit van de pijn. Pijn die ik normaal gezien had moeten hebben.
Achter de schipper stond Watson, die de stok in zijn handen hield. Hoofdschuddend keek hij neer op de schipper.
‘Bent u gevallen? U heeft zich toch geen pijn gedaan?’
De schipper kreunde iets onverstaanbaars en keek kwaad naar Watson.
‘Tja, dat komt er natuurlijk van als u zich zo laat nog op donkere paden begeeft. Een mens zou nog denken dat u iets te verbergen heeft.’
Watson haalde handboeien uit zijn zak en bukte zich over de schipper.
‘Laten we u voor alle veiligheid maar even vastmaken. Anders begint u weer met stokken te zwaaien.’
Hij klikte het ijzer rond de polsen van de schipper en richtte zich daarna tot mij.
‘Alles oké, David?’
Ik knikte. Mijn handen trilden nog een beetje, maar voor de rest was ik in orde. Er zat geen ijzeren haak in mijn hoofd, dus wat wil een mens nog meer?
‘Dat heb je goed gedaan’, ging Watson verder. ‘Ik hoefde de verdwenen boot zelfs niet meer te zoeken. Gewoon even de schipper volgen en het raadsel is opgelost.’
Op die manier bekeken had ik inderdaad goed werk geleverd. Ik had als levend lokaas gediend voor de schipper. Maar ik durfde er niet aan denken wat er was gebeurd als Watson niet achter de schipper had gestaan.
‘De scheepsjongen zit nog in de boot’, zei ik, met een beetje tegenzin, want zo zou Watson weten dat ik de boot niet zelf had gevonden. Eigenlijk was ik ook maar iemand gevolgd.
‘Ach zo’, knikte Watson, terwijl hij naar de boot keek. Hij gooide me een nieuw paar handboeien toe. ‘Wel, ga hem dan maar arresteren!’
Hij gaf me de perfecte kans om deel uit te maken van het gloriemoment, maar tegelijkertijd sloeg de schrik me om het hart. De scheepsjongen was groter dan mij en ongetwijfeld sterker, want ik zag mezelf niet meteen een boot afduwen, iets wat hij elke dag deed.
Ik sprong van op de kade in de boot en verloor bijna mijn evenwicht. Ik kon me nog net vastgrijpen aan de railing. Vergeefse moeite, want niet veel later ging ik toch tegen de vlakte. Op het moment dat ik aan de kajuit kwam, sloeg de scheepsjongen de deur keihard open, vol in mijn gezicht. Het was niet eens geweest om mij te raken, maar gewoon van pure opwinding, want hij liep onmiddellijk naar de railing.
‘Hé, wat doe je met mijn baas?’
Watson keek even op, maar deed gewoon verder waar hij mee bezig was: de schipper rechtop trekken..
‘Tja, je baas doet een dutje op een openbare plaats. Dat mag nu eenmaal niet.’
‘Laat hem los!’
Watson haalde zijn schouders op. ‘Oké. Als jij dat wilt.’
Hij loste de schipper, die opnieuw pijnlijk op de grond terecht kwam en het uitschreeuwde. Dat was voor mij het sein om weer te reageren. Nog een beetje groggy kwam ik overeind en liep naar de scheepsjongen toe. Zonder nadenken gaf ik hem een geweldige duw, waardoor hij over de railing vloog en in het water belandde. Daarna sprong ik zelf in het water en voor de jongen kon bekomen, klikte ik de handboeien rond zijn polsen.
Ik was moe, helemaal nat en mijn neus was zo dik als een aardappel, waardoor ik elk moment kon flauwvallen van de pijn, maar ik kon maar één ding denken: dat hadden Watson en ik toch maar mooi even opgelost!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen