donderdag 10 juni 2010

De Duivel van Devon - deel 6

Tijdens het rijden legde Pitt ons uit wat de schipper niet had durven zeggen. Dartmouth was een aantrekkelijke plek voor toeristen en waar toeristen komen, is geld te verdienen. Robert Bigshot, een rijk bouwondernemer, had dat ook gemerkt en wilde zijn rijkdom nog vergroten door in het stadje een hotel en een restaurant te bouwen. Volgens de schipper paste de veerboot niet in die plannen, omdat de boot niet lang genoeg vaarde. Toeristen die naar het restaurant gingen en het wat later wilde maken, geraakten niet meer terug in het hotel, dat aan de andere kant van de oever lag.

De geruchten gingen dat Bigshot een brug wilde bouwen en de veerboot afschaffen. Op die manier kon hij zijn winst maximaal vergroten. Omdat dat een spoor was dat we moeilijk konden laten liggen, gaf Watson Pitt de opdracht om ons onmiddellijk naar het huis van Bigshot te brengen.

Toen we de oprijlaan opreden, vergaapten we ons aan de grootsheid van het gebouw. Het telde minstens honderd kamers en zou menig paleis doen blozen. Dat Bigshot er warmpjes in zat, had Pitt in elk geval niet overdreven. Een man in een stijf grijs kostuum opende de deur en keek ons vragend aan.

‘Jij bent vast de butler van dit kasteel’, stak Watson meteen van wal. ‘Watson en Silver van de geheime dienst. Wij willen je baas spreken en liefst zo snel mogelijk.’

De man antwoordde niet meteen en Pitt wilde tussenbeide komen.

‘Euh, meneer Watson.’

‘Zwijg, Pitt, ik zal het hier wel regelen. Wel, ben je doof ofzo? Allemachtig, een dove butler! Al straf dat je de bel hebt gehoord.’

De man glimlachte fijn, nam ons van kop tot teen op en opende dan pas zijn mond.

‘Vanzelfsprekend, heren. Als u mij zou willen volgen?’

‘Natuurlijk willen wij dat’, bromde Watson. ‘We hebben het zelf gevraagd!’

Pitt probeerde nog een keer iets te zeggen.

‘Meneer Watson, ik denk toch dat u…’

‘Zich niet moet laten onderbreken?’ vulde Watson aan. ‘Gelijk heb je, Pitt. Ik zou graag een beetje nadenken, dus ik zou het ten zeerste appreciĆ«ren als je je mond even hield.’

‘Maar…’

Watson stak zijn hand op en legde Pitt het zwijgen op. Ik kende Watson al langer dan vandaag en wist dat ik beter niets kon zeggen. Zijn brein werkte op volle toeren, wat ervoor zorgde dat het oververhit geraakte als hij zich gestoord voelde.

De man bracht ons naar een kamer die verrassend modern was ingericht en liet ons alleen. We namen plaats in rode leren fauteuils en bestudeerden de inrichting. Ik vroeg me af waarom iemand die zo rijk was nog rijker wilde worden. Zou zo iemand de moeite doen om veerboten te laten zinken?

Plots ging de deur van de kamer open. De man die zonet de voordeur had opengedaan, kwam weer binnen, waarschijnlijk om te zeggen dat Bigshot er toch niet was. Dacht ik.

Hij trok even aan zijn das en liep dan naar Watson en mij.

‘Meneer Watson, was het?’

Watson knikte verbaasd. De man stak zijn hand uit en glimlachte.

‘Robert Bigshot, aangenaam.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen