woensdag 17 maart 2010

De Koffer - deel 7

Summer vloekte binnensmonds en krabbelde overeind. Hij had een hekel aan criminelen die dachten hem te slim af te kunnen zijn. En zo waren er helaas heel veel. Gelukkig was het aantal criminelen dat hem ooit werkelijk te slim af was geweest op een hand te tellen.
‘Wat is de bedoeling hiervan?’ dacht Summer luidop.
Sam meende op die vraag een eenvoudig antwoord te kunnen bedenken.
‘Ik denk dat ze ons hier willen opsluiten, zodat ze ongestoord die afluisterapparatuur kunnen aanbrengen.’
Summer schudde zijn hoofd.
‘Verder nadenken, meneer Smith. Als die gangsters een beetje slim zijn, weten ze dat wij hier binnen de minuut kunnen uitbreken. En zelfs al zou dat niet lukken, dan weten ze dat wíj weten wat ze van plan zijn. En dan is het een koud kunstje om alles wat ze aangebracht hebben te verwijderen. Ze zijn nog iets anders van plan, ik voel het.’
Sam dacht na. Kon Summer hier werkelijk op een minuut uitbreken? Waarschijnlijk wel, Summer had vast al voor hetere vuren gestaan dan een gesloten deur.
‘Dan moeten we ons afvragen waarom ze hier een bom hebben laten ontploffen’, zei Sam. ‘Alvast niet om Jones uit te schakelen, want die had al een klap op zijn hoofd gekregen.’
‘Goede redenering’, knikte Summer instemmend. ‘En waarom hebben ze die e-mail open laten staan? Ze moeten toch geweten hebben dat wij die zouden lezen? En waar blijven die dokters?’
Er viel een stilte in de kamer. Sam en Summer probeerden van de puzzelstukken een geheel te maken, maar dat lukte voorlopig niet. Er ontbrak nog een deel van de puzzel.
‘Misschien moeten we eerst de deur proberen te forceren’, opperde Sam. ‘Dan kunnen we hen achterna gaan.’
Summer reageerde niet. Uiterlijk was hij de kalmte zelf, maar in zijn hoofd moest het een drukke bedoening zijn. Hij wilde eerst een antwoord op zijn vragen vinden, om later niet voor verrassingen te komen te staan.
‘Er klopt iets niet. Maar wat?’
Sam probeerde ook alles op een rijtje te zetten. Hij had geen zin om in zijn eentje de deur te forceren.
‘Wat als die bom een lokmiddel was?’ vroeg hij zich luidop af.
‘Leg uit’, gebood Summer.
‘De bom was duidelijk te klein om echt schade aan te richten. Misschien was ze alleen bedoeld om de aandacht te trekken. Onze aandacht.’
Summer schudde driftig met zijn wijsvinger naar Sam.
‘Daar zit iets in. De gangsters moeten geweten hebben dat wij dat zouden willen onderzoeken. Maar wacht…’
Summer bleef staan en staarde naar het gat in de vloer.
‘Waarom zouden ze onze aandacht willen trekken? Nu kunnen ze niet meer ongestoord hun gang gaan.’
Daar zat iets in. En toch was Sam ervan overtuigd dat de bom als lokmiddel bedoeld was geweest.
‘Misschien waren ze verrast door onze aanwezigheid. Misschien wilden ze net dat wij dit allemaal ontdekten. Het kan een afleidingsmanoeuvre zijn.’
‘Dat betwijfel ik’, weerlegde Summer Sams hypothese. ‘Dit soort gangsters werkt meestal rechttoe rechtaan, niet met afleidingsmanoeuvres.’
Maar er was iets waar Summer niet aan gedacht had.
‘Dat kan zijn, maar als ze werken zoals u het zegt, zouden ze nooit de computer aan laten staan. Dan zouden ze die belangrijke informatie hebben gewist.’
Een vervelend gevoel bekroop Sam toen hij dat zei. Ze waren dichtbij het antwoord, maar ze konden er niet helemaal op komen. En hij kreeg de indruk dat ze het snel moesten vinden. Heel snel.
‘Dus ze wilden dat we die e-mail zagen’, prevelde Summer. ‘Maar waarom dan?’
‘Om ons te vertragen. Ons hier te houden’, antwoordde Sam zonder precies te weten waarom.
Plots verscheen het beeld van het computerscherm voor zijn ogen. De klok! Die diende niet om de tijd aan te geven, want ze had geen wijzer die de uren aanduidde. Waarvoor dan wel?
‘De computer’, riep hij uit.
‘Wat is ermee?’
Summers stem ging op de slag de hoogte in, toen hij de paniek in Sams ogen las.
‘Het is een bom!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen