dinsdag 23 maart 2010

De Koffer - deel 11

Die gaf uit op een trap die de indruk gaf eindeloos omhoog te gaan. Dat was niet zo, maar de geheime dienst bracht nu eenmaal graag wat geinigheden aan in zijn gebouw. Door allerlei spiegels op strategische plekken te plaatsen, hadden ze een soort oneindig stijgende trap gecreëerd. En ook al wist Sam dat het niet echt was, toch keek hij ertegenop om naar boven te gaan.
Na enkele trappen kwamen ze bij een volgende verdieping. Ze bleven staan voor de deur, niet goed wetend wat te doen. Was de man hier binnen gegaan of was hij verder naar boven gelopen? Misschien stond hij achter de deur en wachtte hij tot ze nog een trap op gingen, om dan stiekem naar beneden te lopen. Misschien ook niet.
‘We moeten splitsen’, zei Richards, terwijl hij zenuwachtig aan zijn haar krabde. ‘Dan maken we het meeste kans om hem te vinden.’
Summer schudde meteen zijn hoofd.
‘Geen goed plan.’
‘Maar dan maken we meer kans! Dan kunnen we hem insluiten en ontwapenen. Met zijn drieën zijn we te traag.’
‘Het is een goede die het zegt’, bromde Summer. ‘Daarnet hebt u hem ook wel heldhaftig overmeesterd.’
Richards boog onmiddellijk zijn hoofd. Sam kon het ondanks de spanning niet laten om even te glimlachen bij Summers rake opmerking.
‘Ik stel voor dat we samenblijven. Als we hem dan zien, kan hij niet meer ontsnappen.’
Sam stemde onmiddellijk in met het voorstel, Richards durfde niet anders. Summer bestudeerde ondertussen het paneel waar de code ingetikt moest worden om de deur te openen.
‘Hier is hij niet geweest, ik zie geen verse vingerafdrukken.’
Zonder op bevestiging te wachten van de andere twee, was Summer alweer de trap opgelopen.
‘Hoe kan hij dat zien?’ vroeg Richards aan Sam.
Sam wilde antwoorden, maar Summer was hem voor.
‘U werkt op een geheime dienst, meneer Richards. Dus u zou moeten weten dat dat een koud kunstje is’, riep Summer zonder zich om te draaien. ‘Maar ik vraag me nu al af wat u hier eigenlijk doet.’
Sam vond dat Summer wat hard was voor Richards. Tenslotte had hij net een klap op zijn hoofd gehad. Maar tegelijk kreeg ook Sam het op zijn zenuwen van Richards. Ze kenden hem nauwelijks enkele minuten en toch was er iets vreemds aan die man en zijn zenuwachtig gedoe.
Richards gebaarde dat Sam hem moest voorgaan, maar Sam schudde zijn hoofd.
‘Ga maar, ik kijk hier alles nog even na.’
Dat was niet waar, maar Sam wist niet waarom hij het zei. Richards knikte en ging Summer achterna. Sam sloot de rij.
Zo gingen ze een voor een alle verdiepingen af, maar op geen enkele vonden ze sporen van de gemaskerde man. Het leek alsof hij in rook was opgegaan. Ze daalden de trappen weer af en besloten toch de eerste deur binnen te gaan. Waarom wisten ze niet, maar ze moesten nu eenmaal ergens beginnen.
‘Misschien moeten we toch splitsen?’ opperde Richards nog een keer.
Deze keer leek Summer het voorstel toch te overwegen. En hij had vast ja gezegd als Sam op dat moment niet had geroepen.
‘Daar! Ik zie iemand!’
Richards en Summer volgden geschrokken zijn vinger. Een gedaante kwam hen tegemoet en zonder nadenken renden ze ernaartoe. Slim was het niet, want als de man wapens had, waren ze een gemakkelijk doelwit. Maar de frustratie van de zoektocht deed hen verlangen naar een oplossing. Wat voor oplossing dan ook.
Plots zag Sam wie het was.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen